English-Dutch Dictionary - A

- (1) . (1) 0 (1) 1 (12) 2 (3) 3 (3) 4 (1) 5 (1) 6 (1) 7 (1) 8 (1) 9 (1) A (72) B (30) C (69) D (36) E (35) F (28) G (16) H (22) I (36) J (13) K (3) L (9) M (40) N (8) O (29) P (50) Q (2) R (26) S (76) T (451) U (13) V (8) W (42) Y (9) Z (3)
Englishsort descending Dutch Recording Learn
A license is an official permission from the government to carry out a particular activity. Een vergunning is een officiële toestemming van de overheid om een bepaalde activiteit uit te voeren. Learn
a pro-active approach een pro-actieve aanpak Learn
a while; just even Learn
a written test een schriftelijke proef Learn
a; an een Learn
abductor ontvoerder Learn
absence verzuim Learn
absence through illness ziekteverzuim Learn
acceptable aanvaardbaar
according to; depending on naargelang
activity activiteit Learn
adjective bijvoeglijk naamwoord Learn
adjective (adjectival part) bijvoeglijk Learn
adjective (noun part) naamwoord Learn
adjustment aanpassing Learn
advance tax payment; withholding tax voorheffing Learn
advance; march opmars Learn
adverb bijwoord Learn
after na Learn
after the 1967 Six-Day War na de zesdaagse oorlog van 1967 Learn
agency; institution instelling Learn
agreement akkoord Learn
airway luchtweg Learn
all alle Learn
ally bondgenoot Learn
almost bijna Learn
also eveneens Learn
American Amerikaanse Learn
amongst others o.a. Learn
ample; generous riant
an increase in tinnitus een toename van oorsuizen Learn
analysts analisten Learn
and en Learn
and decided to donate all earnings to various charitable organizations for the homeless en besloot alle verdiensten te schenken aan verschillende liefdadigheidsorganisaties voor de daklozen. Learn
and will be verified during an interview that may be preceded by a written test en zal nagegaan worden tijdens een interview dat kan voorafgegaan worden door een schriftelijke proef Learn
announcement melding Learn

Pages